Veilig werken aan de weg

De beveiliging van een bouwplaats is maatwerk. Elke werf heeft zijn eigen bijzonderheden, zowel wat betreft de aard van de werken als het type van de weg. Bij die laatste factor spelen ook de verschillende vervoersmiddelen van de weggebruikers een rol: een project op een gewestweg in de buurt van een school vereist nu eenmaal heel andere veiligheidsmaatregelen dan een werf op een autosnelweg.

Voorbereiden én bijsturen

Voor een vlotte gang van zaken is het belangrijk dat we het veiligheidsaspect van een werf al vanuit de conceptfase bekijken. Dat begint van bij de planning. Wegenwerken bestaan uit een reeks van taken die elkaar opvolgen en van elkaar afhankelijk zijn. Aan de hand van een aangepaste fasering is het misschien wel mogelijk om de werken op een veiligere wijze te laten uitvoeren. Ook kunnen we dan al een keuze maken uit de diverse soorten afscheidingen tussen het verkeer en de werfzone: afhankelijk van het risico gaat dat van kegels, over bakens met lint ertussen, tot betonnen of metalen jerseys. Het is uiteindelijk de veiligheidscoördinator die aan de hand van de analyse, en na overleg met de dienstkring-ingenieur, de beslissing neemt.

Tijdens de uitvoeringsfase verschuift de verantwoordelijkheid voor de veiligheid op en rond de werf naar de aannemer. Hij moet de veiligheidseisen respecteren die in de ontwerpfase van het project zijn vastgelegd. Bij de aanbesteding moet hij nadenken over de wijze waarop die veiligheidseisen in de praktijk kunnen uitgevoerd worden.
Op de werf zelf is ook een belangrijke taak weggelegd voor de veiligheidscoördinator.

Een vak apart

Welke veiligheidsmaatregelen precies nodig zijn hangt onder meer af van het type weg waar aan gewerkt wordt. Op de autosnelwegen mag bijvoorbeeld alleen door of in opdracht van AWV gewerkt worden. Hier bepaalt het Standaardbestek 250 en het Ministerieel Besluit (MB) van 1999 welke signalisatie waar en wanneer moet staan. Die twee bepalingen worden nog verder aangevuld met diverse dienstorders, waarmee AWV het veiligheidsniveau op de werven tracht te verhogen.

Bij werken op de autosnelweg dient eerst de signalisatie geplaatst te worden, één van de gevaarlijkste interventies op de autosnelweg. Dit wordt bij voorkeur ’s nachts gedaan, omdat er dan minder verkeer is.
Afhankelijk van de opdracht wordt daarna bepaald met welke voorzieningen er gewerkt moet worden. Bij mobiele werken is het bijvoorbeeld verplicht om botsabsorbeerders te gebruiken. De richtlijnen over die voorzieningen evolueren volgens nieuwe ontwikkelingen en ervaringen.

Op de gewestwegen is de bescherming van de werken zo mogelijk nog complexer: Omdat we hier met meer spelers rekening moeten houden, in de eerste plaats met de zwakkere weggebruikers. Er komen ook nog meer veiligheidsaspecten bij kijken: op welk type van weg zal het project plaatsvinden? Welke transportmiddelen maken er gebruik van? Hoe ziet de omgeving rond de werf eruit? In functie hiervan zal de veiligheidscoördinator in de ontwerpfase een voorstel doen aan het opdrachtgevend bestuur.

Externe factoren

Maar hoeveel inspanningen we binnen het Agentschap ook doen om de veiligheid van onze werknemers en die van externe aannemers te verhogen, 100% zekerheid kunnen we helaas nooit bieden. Voor een deel zullen we altijd afhankelijk blijven van externe factoren waar wij geen vat op hebben, zoals de aanwezigheid van nutsleidingen waarvan we de plaats en diepte niet altijd kennen, en vooral, het rijgedrag van de weggebruikers. Uit snelheidscontroles langs de wegenwerken blijkt nog maar eens dat een groot deel van de weggebruikers zich niet aan de maximumsnelheid houdt. Harde controles kunnen als schokeffect dienen, maar zelfs die hebben slechts een kortstondig effect. De enige manier waarop we autobestuurders ooit trager gaan doen rijden, is door een langdurige, intensieve sensibiliseringscampagne te voeren.