Geluidsbeperkingen in de overdracht

Geluidsbeperkingen in de overdracht betreffen geluidsreducerende maatregelen tussen bron en ontvanger waardoor het geluidsniveau ter hoogte van de ontvanger wordt verlaagd.

Heel wat parameters hebben een grote invloed op de voortplanting van geluidsgolven doorheen de ruimte. Zo is de afstand van de ontvanger ten opzichte van de bron zeer belangrijk. Naarmate de afstand tot de bron groter wordt, is de geluidsenergie uitgezonden in een bepaalde richting, over een grotere oppervlakte verdeeld en is het geluidsniveau dus lager.

geluidsbeperkingen in de overdracht

Voor bijvoorbeeld een enkele auto (puntbron) geschiedt deze verdunning evenredig met het kwadraat van de afstand. Voor een onafgebroken rij auto's (lijnbron) geschiedt dit evenredig met de afstand. Algemeen kan worden gesteld dat voor een puntbron een vermindering van 6 dB(A) wordt geregistreerd per afstandsverdubbeling, terwijl voor een lijnbron slechts een reductie van 3 dB(A) per afstandsverdubbeling wordt verkregen.

Bij toenemende afstand tot de bron verandert ook de kleur van het geluid. Laagfrequente geluiden worden minder gereduceerd door de grondabsorptie dan de midden- en hoogfrequente geluiden. Dit verklaart waarom op grote afstand van een weg een doffer geluid wordt waargenomen.

Geluidswerende constructies

Langs wegen is in veel situaties de afstand tussen de geluidsbron en de waarnemers (omwonenden) te klein om het geluidsniveau voldoende te verlagen door geometrische spreiding en grondabsorptie. In deze situaties kan een geluidswerend scherm of gronddam een oplossing bieden.

Een geluidswerende constructie is een obstakel tussen bron en ontvanger waardoor geluid, afkomstig van wegverkeer, zich niet meer vrij kan voortplanten van de bron tot bij de ontvanger.

De verlaging van het geluidsniveau achter een scherm is enerzijds afhankelijk van de plaats waar de ontvanger zich bevindt ten opzichte van de geluidsbron en anderzijds van de aard van het geluid.

Voor het eerste aspect moet de omweg, dit wil zeggen de extra afstand die het geluid als gevolg van de afscherming moet maken, als basisgegeven gehanteerd worden. De omweg is het verschil tussen de afstand van bron – via schermbovenzijde – naar de waarnemer en de rechtstreekse afstand tussen de bron en de waarnemer: omweg = A + B –C.

geluidsbeperkingen in de overdracht

Het is duidelijk dat hoe groter de opgelegde omweg is, hoe groter de geluidsreductie zal zijn. Ook zal bij eenzelfde hoogte van een geluidswerende constructie de opgelegde omweg het grootst zijn wanneer het scherm of de gronddam zo vlak naast de bron of vlak naast de ontvanger wordt gepositioneerd. Indien de geluidswerende constructie in het midden van de bron en de ontvanger wordt geplaatst is de opgelegde omweg minimaal, evenals de verkregen geluidsreductie.

geluidsbeperkingen in de overdracht

De aard van het geluid is bepalend daar laagfrequente geluiden minder afgezwakt worden door een scherm dan hoogfrequente geluiden. Laagfrequente geluidsgolven buigen – door hun grote golflengte – makkelijker over een scherm heen, dan hoogfrequente. Dit heeft tot gevolg dat het geluidsspectrum opgenomen voor de plaatsing van een scherm meer inhoud heeft in het midden- en hoogfrequente gebied dan het spectrum opgenomen na plaatsing van een scherm. Dit betekent ook dat een scherm minder effectief zal zijn langsheen een weg met een hoog percentage vrachtwagens die een meer laagfrequent geluid uitstralen dan personenwagens.

Aan schermen moeten eisen opgelegd worden voor wat de akoestische isolatie en de akoestische absorptie aangaat. Om een voldoende isolatie te verkrijgen voor geluidsgolven die op het schermoppervlak invallen moet het scherm voldoende massa hebben.

Om te voorkomen dat de invallende geluidsgolven weerkaatst worden naar de tegenoverliggende zone moeten schermen een bepaalde absorptiegraad vertonen waardoor de geluidenergie omgezet wordt in warmte. Het gebruik van absorberende schermen is ook aangewezen langs wegen met een hoog percentage vrachtwagens. Bij reflecterende schermen ontstaan er immers weerkaatsingen van de geluidsgolven tussen het scherm en het koetswerk van de vrachtwagens waardoor de efficiëntie van het scherm in de zone achter het scherm vermindert.

Indien een scherm goed gedimensioneerd wordt, rekening houdende met alle genoemde parameters, kan in een zone dicht achter het scherm gelegen een LAeq-verlaging van 10 à 12 dB(A) bekomen worden. Naargelang de afstand tot het scherm toeneemt, vermindert de geluidsniveauverlaging. Op een afstand van 250 m is de LAeq-verlaging beperkt tot enkele dB(A). Op grote afstand van de bron is een geluidswerende constructie bijgevolg niet zinvol. Een scherm moet niet alleen voldoende hoog zijn maar ook voldoende lang zijn om de invloed van de ombuigingsverschijnselen aan de uiteinden van het scherm te beperken.

Tot op heden behoren naast schermen ook gronddammen tot de meest courante geluidswerende constructies in Vlaanderen. Het nadeel van een gronddam ten opzichte van een scherm is dat een grotere hoogte vereist is om eenzelfde effect te bekomen. Dit komt doordat het diffractiepunt van een gronddam verder van de geluidsbron verwijderd is dan de top van een geluidsscherm op dezelfde positie. Ook de schuine zijden van een gronddam zorgen ervoor dat de geluidsgolven makkelijker over de gronddam heen rollen.

Intunneling of open sleuf met geluidsabsorberende panelen

Een andere mogelijke ingreep is het overkappen of intunnelen van een weg. Belangrijk daarbij is dat de tunnelmonden bekleed worden met geluidsabsorberende gevelelementen om klankkasteffecten te vermijden. Dit geldt ook voor open sleuven waarbij de wanden van de sleuven best bekleed worden met akoestisch absorberend materiaal.

Geluidswerende bebouwing

Ook gebouwen kunnen dienst doen als geluidswerende constructie. Deze kunnen een maatschappelijke functie hebben, maar ook een woonfunctie is mogelijk mits goede oriëntering van de woningen en het toepassen van stille gevels. Bij geluidsbeperkingen bij de waarnemer kan hierover meer gelezen worden.

Vegetatie of groenaanplanting

De afscherming door het plaatsen van vegetatie wordt over het algemeen overschat. Vegetatie is immers een slechte absorber van geluid.

Om een extra geluidsreducerend effect (ongeveer 3 tot maximaal 5 dB(A)) te bekomen is een dicht bos van minstens 100 meter diepte naast de af te schermen weg noodzakelijk. Dit betekent een bos met een afwisseling van hoge en lage bomen en struiken en waardoor, op alle niveaus, slechts enkele meters ver kan worden gekeken. Enkel in dat geval wordt de maximale geluiddempende werking bereikt.

Beplanting over een beperkte diepte houdt fysisch geen geluid tegen. Toch kan verkeersgeluid, wanneer men de bron aan het zicht onttrekt, minder indringend klinken (subjectieve waarneming).

geluidsbeperkingen in de overdracht

Beplantingen vlakbij een geluidsscherm verdienen extra aandacht. Bomen vlak voor of achter een scherm, met kruin hoger dan de top van het scherm, kunnen de schermwerking verminderen door reflecties tegen de onderkant van het bladerdek zodat het geluid over de schermtop heen wordt gekaatst. Begroeiing vlakbij een scherm wordt bijgevolg best beperkt in hoogte tot die van de schermtop.

 

 

Maskeereffect

Door het aanbrengen van een bijkomende geluidsbron met een minder indringend spectrum zoals een fontein of ritselende bladeren, kan het indringend geluid van het wegverkeer worden gemaskeerd. Het effectieve geluidsniveau verlaagt hierdoor niet, maar er wordt een geluid gecreëerd dat minder hinderlijk wordt ervaren.