Lichtvisie op autosnelwegen

Sinds 15 juli 2011 is er minder verlichting op de autosnelwegen in Vlaanderen. Concreet gaat het licht uit als het kan, en blijft het aan als het moet voor de verkeersveiligheid. Na de invoering van het lichtplan daalt het aantal verlichte wegvakken met bijna de helft. Het aantal permanent verlichte wegvakken stijgt licht. Lichten blijven onder meer permanent branden ter hoogte van de op- en afritten van de autosnelwegen. Alsook langs ringwegen en langs wegvakken tussen 2 op- en uitritten die minder dan 3 km van elkaar liggen. Een deel van de verlichting gaat uit en kan in bepaalde omstandigheden via dynamische sturing aangestoken worden. De lichtvervuiling neemt af en er wordt energie bespaard.

Is het doven van de verlichting niet gevaarlijk?

De lichtvisie houdt rekening met het regelgevend kader en de situatie in de buurlanden. Alsook met de Europese normenreeks omtrent wegverlichting en de maatschappelijke en technologische context. Hierbij werd de verkeersveiligheid steeds als uitgangspunt genomen. Veel ongevallen gebeuren ’s nachts, vaak door een combinatie van vermoeidheid en alcoholgebruik. De gevolgen van die ongevallen zijn ook nefaster dan gemiddeld. Ook gebeuren veel ongevallen tegen een hindernis. Het is ook niet correct te denken dat verlichting een remedie is tegen vermoeidheid.

Wat is er veranderd t.o.v. vroeger?

Sinds 2007 wordt de middenbermverlichting op autosnelwegen van middernacht tot 6 uur ’s ochtends gedoofd. Enkel op de Ring rond Brussel, de Ring rond Antwerpen en aan de op- en afritten blijft het licht eveneens branden. Dat is niet veranderd sinds de nieuwe lichtvisie in werking trad.
Ook vandaag is er standaard geen verlichting op autosnelwegen tussen middernacht en 6 uur 's ochtends.

Vroeger gebeurde het in- en uitschakelen van de verlichting op de autosnelwegen op basis van een vast uurrooster. Daarnaast werd de hoeveelheid natuurlijk licht permanent door fotocellen gemeten. Wanneer het eerder donker of licht werd, kon de verlichting 20 minuten vroeger of later worden in- of uitgeschakeld. De op- en afritcomplexen werden omwille van de verkeersveiligheid ’s nachts permanent verlicht.

Sinds 15 juli 2011 kwamen er in plaats van twee mogelijkheden van verlichting drie mogelijkheden :

  • ofwel is er geen verlichting meer nodig;
  • ofwel is er permanent verlichting nodig zoals op ringwegen, op- en afrittencomplexen en tussen deze complexen op minder dan 3 km van elkaar;
  • ofwel wordt de verlichting dynamisch geschakeld, d.w.z. dat het al dan niet verlichten en het verlichtingsniveau worden aangepast aan de verkeerssituatie. In een eerste fase zal dat gebeuren op basis van de historische gegevens over de verkeersintensiteiten en de snelheid op elke locatie.

1. Drie principes voor de aanwezigheid van verlichting

  • Op- en afritten en de verkeerswisselaars van autosnelwegen
    Ter hoogte van op- en afritten gebeuren veel weefbewegingen. Goede verlichting is hier aangewezen omwille van het nodige dieptezicht. Bij duisternis is het dieptezicht namelijk beperkt. De op- en afritten en verkeerswisselaars worden omwille van de verkeersveiligheid ‘s nachts permanent verlicht.
  • De tussenafstand van op- en uitritcomplexen is minder dan 3 km
    De wegvakken waar de afstand tussen twee op- en afritcomplexen of verkeerswisselaars korter is dan 3 km, worden standaard voorzien van verlichtingsinfrastructuur die bij duisternis steeds brandt. De afwisseling van verlichte en onverlichte stukken op te korte afstanden is zeer vermoeiend voor de ogen. Voor de veiligheid zullen de lichten daarom op meer plaatsen permanent branden. Op drie wegvakken in West-Vlaanderen zal er verlichting bijgeplaatst worden.
  • Hoge verkeersintensiteit
    Op de wegvakken waar in het spitsuur de verkeersintensiteit hoog is of waar structurele file zich voordoet, wordt standaard verlichtingsinfrastructuur voorzien om dynamische aansturing van de verlichting mogelijk te maken.
  • Zones zonder verlichting
    De locaties waar geen verlichting nodig is, omwille van een lagere verkeersintensiteit, zullen verder verfijnd worden op basis van onder andere de verkeersintensiteiten.

2. Waar brandt de verlichting altijd?

In de volgende gevallen zal de verlichting altijd branden (volgens het vaste uurrooster dat rekening houdt met de tijd van het jaar en de hoeveelheid licht):

  • De op- en afritten en de complexen van de autosnelwegen
  • De wegvakken waar de complexen korter dan 3 km bij elkaar liggen
  • Lokale specifieke situaties die dat noodzakelijk maken, bijvoorbeeld de opeenvolging van voelbare bochten en verlichte onderdoorgangen op de E19 ter hoogte van Mechelen.

3. Wanneer wordt er dynamisch verlicht?

Het dynamisch in- en uitschakelen van de verlichting op autosnelwegen gebeurt enkel binnen de schakeltijden die zijn vastgelegd door het vaste uurrooster van de Vlaamse overheid, rekening houdend met de dag van het jaar en met de gemeten hoeveelheid natuurlijk licht. De dynamische aansturing wordt geregeld op basis van de volgende vijf criteria:

  • Als de verkeersintensiteit hoog is en/of bij structurele file
    Naast de intensiteiten op een wegvak wordt eveneens rekening gehouden met de gemiddelde snelheid. Bij een gemiddelde snelheid onder de 70 km/u zal de verlichting eveneens ingeschakeld worden omdat er dan filevorming optreedt.
  • Als de spitsstrook in gebruik is
    Bijvoorbeeld op de E313/E34 tussen Antwerpen en Ranst, zal er steeds verlichting zijn wanneer de vluchtstrook in gebruik is als spitsstrook.
  • Als er een calamiteit is, op verzoek van de politie
    Bij calamiteiten, zoals ongevallen, defecte voertuigen op de rijbaan, (grote) obstakels op de rijbaan, wordt op verzoek van de federale wegpolitie de verlichting ingeschakeld. Eens de calamiteit voorbij is en het verkeer weer vlot verloopt, wordt de verlichting weer uitgeschakeld.
  • Als er wegenwerken zijn, op vraag van de bevoegde dienst
    Bij wegenwerken wordt op verzoek van de bevoegde afdeling van AWV de autosnelweg verlicht.
  • Bij extreme weersomstandigheden
    Bij extreme weersomstandigheden wordt de verlichting ingeschakeld op vraag van het KMI of van de wegpolitie.

Hieronder ziet u hoe de verlichting op Vlaamse snelwegen sinds 15 juli geschakeld wordt.

Download deze kaart in hoge resolutie

4. Welke intensiteit van verlichting is wanneer nodig?

Vermits de verkeersintensiteiten sterk kunnen schommelen doorheen een dag, is een dynamische aansturing van het verlichtingsniveau aangewezen. Ook zou het voor de automobilisten wenselijk zijn om de verlichting zachtjes te dimmen en te doven, in plaats van abrupt uit te schakelen.

5. Wat zijn de flankerende maatregelen?

  • Hogere reflectiewaarde van de markeringen
    Hoe hoger de waarde van de retroreflectie, hoe beter de markering het licht weerkaatst in de richting van de bestuurder en dus hoe beter de markering ’s nachts zichtbaar wordt.
    AWV besliste begin 2011 om een hogere waarde te eisen van de markering op autosnelwegen, zoals dat ook wordt toegepast in Frankrijk en Duitsland. De standaardbestekken voor markeringen werden in die zin aangepast. Tot begin 2011 hanteerden we in Vlaanderen dezelfde waarde zoals Nederland en Engeland.
  • Reflectoren op elke 50 meter
    De wegmarkering geeft continu informatie over het tracé van de weg. Door de koplampen geeft dat een zichtbaarheid van ongeveer 60 m. Voor een betere geleiding over langere afstand zijn reflectoren wenselijk. Die geleiding moet zichtbaar zijn over een afstand van 250 meter. Daarom komt er om de 50 meter een reflector.

Keuze van de verlichtingstechnologie

De keuze van de verlichtingstechnologie zal gebeuren in functie van het gewenste regime. Er zal mogelijk een verschillende technologie gekozen worden voor installaties die altijd zullen branden en de installaties die dynamisch aangestuurd worden. Om dynamisch te kunnen verlichten moet er snel ingeschakeld kunnen worden wat een andere technologie met zich meebrengt dan bij permanent verlichten.

Bij recente (natriumhogedruk of metaalhalogenide) en toekomstige (zoals LED) technologieën is de lichtbron veel kleiner waardoor het licht gericht kan worden naar waar het noodzakelijk is.

Enkele cijfers

  • Op hoeveel kilometer autosnelwegen kan het licht branden?
    Langs 827 km (in één rijrichting) autosnelweg van de 1.728 km kan het licht branden.
    Het kaartje hierboven geeft een grafisch overzicht.
  • Waar wordt de verlichting altijd aangeschakeld?
    Op 306 km (in één rijrichting) van het autosnelwegennet brandt de verlichting de hele nacht. Het kaartje in bijlage 2 geeft een grafisch overzicht.
  • Waar wordt de verlichting dynamisch geschakeld?
    Op 508 km (in één rijrichting) van het autosnelwegennet wordt de verlichting dynamisch geschakeld in functie van de omstandigheden. Het kaartje in bijlage 3 geeft een grafisch overzicht. 13 km wordt geschakeld volgens het grensovergangregime.

Actieplan

Nieuwe projecten en grondige renovaties

Elk nieuw project of grondige renovatie wordt getoetst aan die lichtvisie voor de autosnelwegen. Hierbij worden steeds de volgende drie vragen gesteld worden:

  • Moeten er verlichtingspalen voorzien worden?
  • Wordt er altijd verlicht volgens het uurrooster?
  • Is een dynamische aansturing aangewezen?

Op basis van de antwoorden wordt dan een technische verlichtingsstudie uitgevoerd om te bepalen welk type palen gebruikt zal worden, met welke tussenafstand, welke verlichtingstechnologie zal gebruikt worden met welk type armaturen.

Bij de bepaling van welke nieuwbouwprojecten eerst moeten uitgevoerd worden, zal o.a. de ouderdom van de bestaande palen meespelen.